Requisitoir

Het requisitoir is de aanklacht van de officier van justitie tijdens een strafproces waarin hij de feiten op een rijtje zet, zijn mening geeft over het bewijs en een bepaalde straf eist. Hij kan ook om vrijspraak vragen, als hij bijvoorbeeld vindt dat er onvoldoende bewijs is.

Lees ook:Tenlastelegging
Lees ook:Onrechtmatig bewijs?
Lees ook:Contempt of court bij Schiedammer parkmoord
Lees ook:Beslag
Lees ook:Voorwaardelijke straf

2 reacties op “Requisitoir

  1. Astrid Essed

    Geachte Redactie,

    Gezien het hierboven genoemde item [namelijk de gegeven definitie van het juridische begrop ''requisotoir] ben ik van mening, dat het wellicht voor u interessant is, u mijn vorig jaar geschreven bescheiden analyse van het requisitoir van de heer van Straelen te doen toekomen tav het proces tegen de heer Mohammed B, toenmalige verdachte van de moord op de heer T van Gogh

    Dit requisitoir is o.a. gepubliceerd in het septembernummer [2005] van de Uitpers [zie http://www.uitpers.be

    Ik hoop u hiermee op bescheiden wijze van dienst te zijn geweest

    Vriendelijke groeten
    Astrid Essed
    Amsterdam

    Bij dezen het artikel:

    Kritiek op het requisitoir in de zaak tegen Mohammed B
    door Astrid Essed

    Geachte lezer,
    Zoals u aan onderstaande kunt zien, heb ik een commentaar geschreven op het requisitoir van de Openbare Aanklager, de heer van Straelen in de zaak tegen Mohammed B, van wie inmiddels door de rechtbank bewezen is, dat hij T van Gogh dd 2-11 2004 om het leven heeft gebracht. Hoogstwaarschijnlijk bent u eveneens op de hoogte van het feit, dat het vonnis in de rechtszaak levenslange gevangenisstraf luidt.

    In onderstaande aan het Amsterdamse Openbaar Ministerie gerichte kritisch commentaar tav het requisitoir van de heer van Straelen in de rechtszaak tegen Mohammed B plaats ik enkele kanttekeningen bij het mijns inziens in een aantal opzichten demagogische karakter van zijn requisitoir. Ook zet ik uiteen, waarom ik een tegenstander ben van een vonnis van levenslang voor Mohammed B.

    Betreffende de tekst van het requisitoir van de heer van Straelen verwijs ik
    u naar link
    http://www.om.nl/info/document.php?id=717

    Zoals u ziet refereer ik t.a.v. Mohammed B aan de terminologie ''verdachte'', aangezien er op het moment van het schrijven cq verzenden van dit commentaar [dd 25-7] nog geen vonnis door de rechter was uitgesproken

    I Inleiding:

    In de eerste plaats stel ik bij dezen nadrukkelijk, genendele de pretentie te hebben, een uitputtende analyse in dezen te schrijven. Aan onderstaande zult u zien, dat ik niet op alle door de heer van Straelen genoemde punten cq argumentatie ben ingegaan, maar er de m.i. belangrijkste aspecten heb uitgelicht. Verder probeer ik in mijn tekst zoveel mogelijk de door de heer van Straelen aangehouden volgorde te betrachten behoudens enkele uitzonderingen

    I Inleiding

    II Vrijheid van meningsuiting

    III Misdrijven met een terroristisch oogmerk

    IV Demagogische componenten tav het requisitoir van van Straelen

    V Tenlastelegging jegens verdachte

    VI Strafeis

    VII Aanbevelingen

    II Vrijheid van meningsuiting:

    Voor een adequate behandeling van de inhoudelijke kant van dit hoofdstuk bedien ik mij dienaangaande van enkele door de heer van Straelen gemaakte opmerkingen die ik als citaten zal vermelden bij een eventueel commentaar mijnerzijds

    A Citaat van Straelen [tav het proces Mohammed B]
    “Dit proces, meneer de voorzitter, edelachtbaar college, gaat over de moord op Theo van Gogh, het schieten op omstanders en politiemensen en de bedreiging van Ayaan Hirsi Ali.”

    A1 Mijn commentaar:

    Uiteraard is in de tenlastelegging o.a. opgenomen het schieten op omstanders en de bedreiging van Hirsi Ali, maar opvallend in dezen is het feit, dat in dezen geen enkele rangorde in importantie van de gebeurtenissen is aangebracht. Behalve echter de tenlastelegging van bedreiging aan het adres van Hirsi Ali zijn de andere aangevoerde klachten uit de hoofdklacht, de verdenking van Mohammed B van de moord op T van Gogh

    B Citaat van Straelen: ”Dit proces gaat over meer. Het gaat over vrijheid van meningsuiting, tolerantie en intolerantie, een manier van godsdienstbeleving die uitmondt in een terroristische actie. En meer dan in andere strafzaken staat de persoon van het slachtoffer, Theo van Gogh, centraal: het slachtoffer, bewust gekozen vanwege zijn al dan niet vermeende ideeën en sympathieën. ”

    B1 Mijn commentaar:

    Bij het lezen van deze zinsnede kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat de Openbare Aanklager zich niet beperkt tot het feitelijk strafbare karakter van de al dan niet door Mohammed B gepleegde moord op T van Gogh, maar tegelijkertijd gecompliceerde maarschappelijke vraagstukken als tolerantie, intolerantie en religieuze belevingen aan de kaak wil stellen en op het conto van Mohammed B wil schuiven. Met andere woorden: hij veralgemeniseert het bijzondere karakter van de al dan niet bewezen aanklacht van de moord op van Gogh waarvoor Mohammed B terecht staat impliciet tot een verantwoordelijkheid van deze voor algemeen maatschappelijke ontwikkelingen.
    Anders gezegd: Mohammed B staat terecht wegens moord, niet vanwege lang voor hem begonnen sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen waarbij een scala van personen en
    politiek-historische ontwikkelingen bij betrokken zijn. Hoewel de heer van Straelen nadrukkelijk in zijn requistoir vermeldt, dat niet de Islam en de Marokkanen, maar Mohammed B terecht staat, bedient van Straelen zich, althans bij deze zinsnede, van de demagogische connotatie van een politiek proces, hetgeen ik bedenkelijk en niet vallende binnen de grenzen van de rechtspraak acht.

    Uiteraard is het evident, dat de moord op van Gogh niet los gezien kan worden van de discussie tav de echte of vermeende begrenzingen of juist de openheid van de vrijheid van meningsuiting en in zoverre is deze door van Straelen gemaakte opmerking legitiem, maar te suggereren, dat het proces ”meer is dan dat [cq de tenlastelegging] suggereert, dat Mohammed B tevens terecht staat voor en verantwoordelijk is voor bovengenoemde ontwikkelingen,
    hetgeen doet suggereren dat een en ander in de strafeis zou worden meegewogen en dat is buiten de daad waarvan hij wordt verdacht. Hooguit kan gesteld worden, dat hij bij het al dan niet plegen van deze daad een exponent geweest is van bepaalde ideeën, maar hij staat in eerste instantie terecht voor de daad, mogelijk ingegeven door bepaalde opvattingen, NIET voor het totaal-spectrum van deze ontwikkelingen.

    C Citaat van Straelen
    ”Het gaat over vrijheid van meningsuiting, tolerantie en intolerantie, een manier van godsdienstbeleving die uitmondt in een terroristische actie. En meer dan in andere strafzaken staat de persoon van het slachtoffer, Theo van Gogh, centraal: het slachtoffer, bewust gekozen vanwege zijn al dan niet vermeende ideeën en sympathieën.”

    Mijn commentaar:
    Eveneens zal ik middels dit betoog trachten aan te tonen, dat aan deze daad geen terroristische aspecten kleven. Een van de aspecten [hoewel niet onverbrekelijk verbonden aan terrorisme]
    het functioneren in een daartoe ingerichte politiekactivistische groep, is naar de Openbare Aanklager zelf heeft moeten toegeven, niet bewezen geacht.

    D Citaat van Straelen:
    ”En meer dan in andere strafzaken staat de persoon van het slachtoffer, Theo van Gogh, centraal: het slachtoffer, bewust gekozen vanwege zijn al dan niet vermeende ideeën en sympathieën.”

    Mijn commentaar:
    Dienaangaande wil ik er de Openbare Aanklager graag op attent maken, dat in iedere moordzaak, hetzij een zuiver persoonlijk, hetzij een politiek-sociaal kader, de persoon van het slachtoffer centraal staat.Wanneer er sprake is van een moord met als aanleiding, zich te ontdoen van het de moordenaar chanterende slachtoffer, staat het chanterende en mogelijk
    sadistische karakter van het slachtoffer centraal, wanneer er sprake is van een afrekening in de onderwereld, staat de hiërarchische positie van het slachtoffer en mogelijk agressief karakter centraal. Wanneer het een moord vanuit hartstochtelijke motieven betreft, staat de eventuele overspel hetzij het provocerende gedrag van het slachtoffer centraal.
    Met andere woorden: De eventuele opvattingen van een slachtoffer cq gedrag staan in iedere moordzaak centraal, in deze niet meer dan in een andere. Een en ander [het grotere centraal staan van het slachtoffer dan in andere moordzaken] kan dan ook niet door de Openbare Aanklager afdoende worden aangetoond.

    Als tegenargument zal hij aanvoeren, dat het hier mogelijkerwijze om een politieke moord gaat met religieuze connotaties. Zelfs als dat bewezen kan worden, dan nog is er geen sprake van een specifieke rol van de persoon van van Gogh in dezen, maar vergelijkbaar met de rol van ieder ander lachtoffer van een politieke of andere moord.

    Wanneer bijvoorbeeld het provocatieve karakter van het functioneren van van Gogh een van de aanleidingen geweest is voor het plegen van deze moord, waarvoor toch grote en duidelijke aanwijzingen zijn, moet derhalve met nadruk gezegd worden, dat in ieder andere moordzaak, waarin het provocatieve karakter van slachtoffer van belang is, het karakter niet minder dan in het geval van van Gogh een rol speelt.

    E Tav persoon T van Gogh en de vrijheid van meningsuiting:
    Citaat van Straelen
    ”Verwacht u van mij geen korte biografie en zeker geen hagiografie, want een heilige was hij beslist niet. Beoordeeld alleen aan de hand van zijn columns en televisieoptredens, ontstaat het beeld van een onverbeterlijk criticaster, die beledigen tot kunst heeft verheven. “Functioneel beledigen” noemde hij dit, een onderdeel van zijn boodschap; het waarschuwen tegen de vijfde colonne die probeert in Nederland de vrije manier van leven aan te tasten. Als columnist zocht hij voortdurend de rand van het toelaatbare op.Velen moesten het van hem ontgelden, joods, christelijk of islamitisch, politici en bestuurders. Heilige huisjes bestonden niet voor hem. Hij had een broertje dood aan huichelachtigheid en schroomde niet zich soms grof en beledigend te uiten. Drie keer werd hij aangeklaagd wegens uitlatingen die antisemitisch werden gevonden of beledigend voor christenen en islamieten. Nooit werd hij veroordeeld. Theo van Gogh propageerde de vrijheid van meningsuiting in zijn meest absolute zin. In een column in Vrij Nederland schreef hij dat alleen vrije meningsuiting in de breedste zin van het woord, dus inclusief het recht van discriminerende imams om hun vooroordeel uit te dragen, ons vrije burgers kan redden van de barbarij. Aan de vrijheid van
    meningsuiting mochten volgens hem geen grenzen zitten. Eén geboren provocateur, zo wordt hij wel genoemd. Dit is het beeld dat de verdachte voor zich heeft gehad toen hij besloot om Van Gogh tot het doelwit te maken van zijn aanslag. ”

    Deelcitaat van Straelen:
    ” Beoordeeld alleen aan de hand van zijn columns en televisieoptredens, ontstaat het beeld van een onverbeterlijk criticaster, die beledigen tot kunst heeft verheven. “Functioneel beledigen” noemde hij dit, een onderdeel van zijn boodschap;”

    Deelcitaat van Straelen:
    ”Heilige huisjes bestonden niet voor hem. Hij had een broertje dood aan huichelachtigheid en schroomde niet zich soms grof en beledigend te uiten.”

    Deelcitaat van Straelen:
    ” In een column in Vrij Nederland schreef hij dat alleen vrije meningsuiting in de breedste zin van het woord, dus inclusief het recht van discriminerende imams om hun vooroordeel uit te dragen, ons vrije burgers kan redden van de barbarij. Aan de vrijheid van meningsuiting mochten volgens hem geen grenzen zitten. Eén geboren provocateur, zo wordt hij wel genoemd. Dit is het beeld dat de verdachte voor zich heeft gehad toen hij besloot om Van Gogh tot het doelwit te maken van zijn aanslag.”

    D1 Mijn commentaar:

    In de eerste plaats is het opvallend de manifeste bagatellisering door de heer van Straelen van de impact van de door van Gogh geuite beledigende cq racistische taal aan het adres van moslims in het algemeen en gericht tegen het Marokkaans-islamitische bevolkingsdeel in het bijzonder. Bovendien schijnt hij bij de referentie aan de opvattingen van van Gogh gevoeglijk uit het oog te verliezen, dat nog afgezien van het beledigende en racistische karakter in dezen, er genendele sprake is van een onbeperkte vrijheid van meningsuiting in dezen, maar dat de wetgeving, zowel nationaal als Europees, in dezen aan de vrijheid van meningsuiting wel
    degelijk restricties oplegt en terecht.
    [Het beledigen van mensen cq groepen op grond van hun ras, nationaliteit cq geloofsovertuiging is namelijk als uitsluitingsmechanisme in strijd met de zowel Nederlandse als internationaal-rechtelijke opvatting, dat ieder mens, ongeacht was, geloof of nationaliteit, gelijkelijk recht heeft op respect.]

    Zo is de vrijheid van meningsuiting [het recht op openbaring van gedachten en gevoelens] weliswaar vastgelegd in artikel 7 van de Nederlandse Grondwet, echter met inachtneming van overige wettelijke bepalingen, hetgeen o.a. verwijst naar de in het Wetboek van Strafrecht geldende discriminatieverboden [met name artikel 137 c t/m g] en uiteraard artikel 1 van de Nederlandse Grondwet, net als artikel 7 een grondrecht.
    Eveneens refereert artikel 10 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, nvdr), dat vrijheid van meningsuiting impliceert aan een restrictie op dit recht in het ruimer verband van wettelijke sancties, die o.a. betrekking kunnen hebben op de ”rechten van anderen”. In die zin is ergo van een ongebreidelde vrijheid van meningsuiting in wettelijke zin geen sprake:

    Discriminatieverboden:

    Zie dienaangaande internationaal, het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie met name artikel 2d, op Europees niveau artikel 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en nationaal, artikel 1 van de Nederlandse Grondwet.

    Echter ook komt dit discriminatieverbod voor in o.a. artikel 137 c t/m g, nader gespecificeerd in artikel 137c [het zich mondeling of bij geschrift beledigend uitlaten tav een groep mensen vanwege hun ras of religie]

    Gezien tegen het licht van de veelal buitengewone grofheid van de uitlatingen van van Gogh, met name tav de Islam als religie als met name de Marokkaanse islamitische bevolkingsgroep in het algemeen is het in dezen in alle opzichten oneigenlijk, te spreken van vrijheid van meningsuiting.

    Tegen Joodse mensen gedane anti-semitische uitlatingen:

    ”Hij had een broertje dood aan huichelachtigheid en schroomde niet zich soms grof en beledigend te uiten. Drie keer werd hij aangeklaagd wegens uitlatingen die antisemitisch werden gevonden of beledigend voor christenen en islamieten. Nooit werd hij veroordeeld. ”

    Nog afgezien van de racistische en derhalve laakbare uitingen van van Gogh tegen de Islam en moslims in het bijzonder, met name Marokkaanse moslims, richtten zijn uitlatingen zich evenzeer tegen Joodse mensen. Zo refereert T. van Gogh in een pamflet tegen schrijver en publicist L de Winter aan een door hemzelf bedacht animatiefilmpje tav twee ”copulerende
    gele Davidssterren in de gaskamer”. Een ander schokkend staaltje van anti-semitisme wordt door van Gogh geuit in zijn berucht geworden opmerking ”wat ruikt het hier naar karamel? Vandaag verbranden ze alleen de suikerzieke Joden”

    Het zou mij zeer verbazen, wanneer de heer van Straelen uitspraken van een dergelijke signatuur eveneens onder de categorie ”vrijheid van meningsuiting” zou willen rangschikken.

    Politiek maatschappelijke impact stellingname T van Gogh:

    Nog afgezien echter van het ostentatief-beledigende en racistische karakter tav zijn met name na 11 september voornamelijk betr. moslims gedane uitspraken, die met name in een tijd van verdergaande stigmatisering van de Marokkaanse moslims als kwetsbare minderheidsgroep daarenboven getuigden van morele lafheid, hadden de door hem gedane uitingen met name een gevaarlijke politiek-maatschappelijke impact. Zij bevorderden in belangrijke mate het sinds 11 september in verontrustende mate toegenomen anti-islam-klimaat, hetgeen voor moslims in het algemeen en de Marokkaanse gemeenschap in het bijzonder leidde tot verregaande stigmatisering met alle humanitaire gevolgen van dien, inclusief de toename
    van radicaliserende tendenties.

    III Misdrijven met een terroristisch oogmerk

    A Citaat van de heer van Straelen:
    ”Het terroristisch oogmerk speelt in deze zaak een grote rol. Met uitzondering van het subsidiair ten laste gelegde in feit 6, wordt B. ervan verdacht dat hij alle misdrijven heeft begaan met een terroristisch oogmerk. Dit oogmerk is in het Wetboek van Strafrecht ingevoerd met de Wet Terroristische Misdrijven. Deze wet is op 10 augustus 2004 in werking
    getreden. De Wet terroristische misdrijven geeft uitvoering aan het Europese Kaderbesluit Terrorismebestrijding. De ratio van dit besluit kan worden afgeleid uit de aanhef. Daar wordt vastgesteld dat terrorisme een van de ernstigste schendingen is van de beginselen waarop de Europese Gemeenschap is gegrondvest. Doel is een meer slagvaardig optreden tegen terroristen. In de Wet terroristische misdrijven worden enkele nieuwe strafbare feiten
    geïntroduceerd, zoals de rekrutering ten behoeve van de Jihad, de samenspanning tot het plegen van terroristische misdrijven en de deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarnaast wordt in artikel 83 Sr. een definitie gegeven van een terroristisch misdrijf. Hieronder wordt verstaan een groot aantal misdrijven
    die worden begaan, ik citeer, met: “Het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land vrees aan te jagen dan wel een overheid of een internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.” (art. 83a Sr.) Het Openbaar Ministerie moet in deze zaak dus bewijzen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om door middel van de strafbare feiten mensen bang te maken, de overheid tot iets te dwingen of de fundamenten van de Nederlandse maatschappij te ontwrichten of te vernietigen.”

    A1 Mijn commentaar
    Zoals reeds eerder opgemerkt is het doel van dit commentaar niet, uitputtend in te gaan op iedere door de heer van Straelen in zijn requisitoir gemaakte opmerking, maar wel aan de hand van de belangrijkste door hem aangevoerde punten de belangrijkste delen van zijn betoog te ontkrachten, in dezen het door hem gestelde terroristische karakter van het gepleegde misdrijf

    Definitie terrorisme:
    Volgens het Internationaal Recht is de definitie van terrorisme, het plegen van militaire aanvallen op burgers of burgerdoelen, met als doel het afdwingen van een zeker politiek doel bij de desbetreffende regeringen. Het is evident, dat een en ander niet-gelegitimeerd is, aangezien volgens het Internationaal Recht [de 4e Conventie van Genève] bij iedere militaire
    actie van zowel een leger in oorlogs- of bezettingstijd als gewapende verzetsgroepen of individuen een strikt onderscheid gemaakt dient te worden tussen combattanten [militairen en strijders] en non-combattanten [burgers]. Het hoofddoel van het plegen van een aanslag is in dezen het afdwingen van een politieke eis aan de regering van het land waarin de aanslag is
    gepleegd.
    Een ander belangrijk doel is de ontwrichting van de betreffende samenleving.Een verder van belang zijnd doel is tevens, dat dergelijke aanslagen vanwege het politieke karakter ervan vrijwel altijd in organisatieverband worden gepleegd. Eveneens is een bijkomend, maar zeker niet onbelangrijk aspect het zaaien van angst onder de bevolking.
    Deze internationaal-rechtelijke definitie komt eveneens grotendeels terug in artikel 83A van het Wetboek van Strafrecht, dat als definitie voor terrorisme aanvoert: “Het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land vrees aan te jagen dan wel een overheid of een internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een
    land of internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”

    Het probleem betreffende het criterium van het angst aanjagen van de bevolking is, dat een en ander geen hoofddoel op zich is en evenmin als intentie bewijsbaar, aangezien vanzelfsprekend het effect van een terroristische aanslag per definitie angst bij de bevolking aanjaagt, met name vanwege het willekeurige karakter van de gepleegde daad.

    Mijn bezwaar tegen de argumentatie van de heer van Straelen betreffende het terroristisch oogmerk van de gepleegde daad:
    Mijn hoofdbezwaar tegen de bewijsvoering van de heer van Straelen betreffende het terroristische karakter van de gepleegde aanslag is tweeledig. Enerzijds legt hij m.i. een oneigenlijk verband tussen de door Mohammed B gepleegde daad en het terroristische karakter ervan, waarbij hij zich bovendien regelmatig beroept op niet nader te controleren
    ooggetuigenverslagen. Anderzijds gaat hij voorbij aan het feit, dat bij de vaststelling van de
    definitie van terrorisme, de hoofdpunten in het geheel bij de gepleegde daden een rol dienen te spelen. Ik zal hierop aanstonds terugkomen.

    Het oneigenlijk verband tussen de door Mohammed B gepleegde daad en het
    terroristische karakter ervan.

    Het aanjagen van angst aan de Nederlandse bevolking

    De heer van Straelen stelt in zijn betoog dat de door Mohammed B gepleegde daad o.a. beantwoordt aan het aspect ”terrorisme” vanwege het aanjagen van angst aan de Nederlandse bevolking. Voor dit argument baseert hij zich op een aantal feiten, waarvan ik de voornaamste in onderstaande in het kort zal weergeven:
    1 Het feit, dat de moord op een druk punt van Amsterdam, in de ochtendspits, gepleegd is
    2 Het feit, dat slachtoffer een ”bekende Nederlander” was, die met ”opmerkelijke uitspraken” het nieuws haalde
    3 Het feit, dat er via de achtergelaten brief aan Hirsi angst aan de Nederlandse bevolking zou zijn aangejaagd

    Het is evident, dat het angst aanjagen van de bevolking als zodanig geen voldoende motief is voor de rechtvaardiging van het argument, dat deze misdaad een terroristisch karakter zou hebben. Dienaangaande wil ik nadrukkelijk wijzen op het feit, dat zich, met name in het criminele circuit, wel vaker ernstige beschietingen cq liquidaties hebben voorgedaan, eveneens in drukke straten en op cruciale tijdstippen gepleegd, die eveneens uiteraard de bevolking angst aanjoegen, zonder dat hiervan sprake was van een terroristische aanslag als zodanig.
    Evenzeer kan het feit, dat het hier de moord op een ”bekende Nederlander met uitgesproken opvattingen betrof” weliswaar angstaanjagend zijn voor een bepaalde categorie uit de Nederlandse samenleving, maar een en ander is genendele een bewijs voor de aanwezigheid van terrorisme in de zin van het Internationaal Recht cq gedeeltelijk afgeleide artikel 83 SR [Wetboek van Strafrecht].

    Evenmin is het waarschijnlijk, dat de Nederlandse bevolking angst is aangejaagd door de specifiek aan Hirsi Ali gerichte brief, die op het lichaam van van Gogh is aangetroffen.
    Weliswaar is er een ooggetuigenverklaring dat Mohammed B zou hebben geroepen: ”Dan weten jullie ook wat je te wachten staat”, maar er is geen enkel aanwijsbaar bewijs, dat hij een en ander ook daadwerkelijk heeft gezegd.
    Bovendien kan een dergelijke uitspraak gedaan zijn in het overspannen moment na het plegen van een dergelijk ernstig misdrijf. Bewezen is, dat criminelen dan in een buiten-gewone geestestoestand verkeren en althans tijdelijk, ontoerekeningsvatbaar geacht kunnen worden.

    Ook zijn verdere in de brief aan Hirsi Ali geschreven uitspraken en de andere door de heer van Straelen aangehaalde door Mohammed B gedane uitspraken en neergeschreven zinsneden in geschriften van hem wijzen weliswaar op uit verwarde alsook rationele argumenten opgebouwde politiek-religieuze stellingnamen, maar echter in algemeen-politieke zin gesteld [refererend aan de politiek-militaire optreden van de VS en West-Europa in het Midden-Oosten en de andere Arabische landen] en geenszins met de bedoeling tot specifieke angstaanjagerij van de Nederlandse bevolking als zodanig.

    B Ontwrichting Nederlandse samenleving:

    De heer van Straelen acht in zijn betoog geen aanwijzingen aanwezig, dat Mohammed B met het door hem eventueel gepleegde misdrijf een politieke eis van de Nederlandse regering heeft willen afdwingen. Eveneens brengt de heer van Straelen naar voren, dat Mohammed B met de door hem gepleegde daad de ontwrichting van de Nederlandse samenleving voor ogen stond.
    Ik verwerp dat. Wel deel ik zijn mening, dat uit de door Mohammed B geschreven en vertaalde literatuur een moslim-fundamentalistisch wereldbeeld naar voren komt, waarin
    werd gerefereerd aan een afkeer van de politiek-economische structuur van de Nederlandse samenleving. Een en ander [hiermee refereer ik uiteraard slechts aan het verzet tegen de
    politiek-economische structuur in Nederland] is echter, in andere politiek-sociale vorm, eveneens van toepassing op in Nederland actieve links-revolutionnaire stromingen en ressorteert evenals bij genoemde linkse stromingen, onder de vrijheid van meningsuiting, zolang een en ander althans geen aanleiding geeft tot belediging cq het plegen van strafbare feiten.Ik kom hierop terug

    Toelichting bij de boeken cq gechriften van Mohammed B:

    Bij lezing van enkele door Mohammed B geschreven geschriften gelezen [waaronder de op het lichaam van van Gogh aangetroffen brief aan Hirsi Ali] en nog los van de enigszins verwarde geestestoestand, die hieruit m.i. spreekt, komt met name duidelijk een politiek motief naar voren, namelijk het verzet tegen de politiek-economische structuur van de Nederlandse samenleving, met daaruit voor hem logisch voortvloeiende het politiek-militaire optreden van met name de VS en eveneens de West-Europese bondgenoten in de regio van het Midden-Oosten.
    Overigens citeert hij in dezen eveneens uit de Talmoed en blijkt uit de brief niet zozeer een antisemitisch karakter, maar is een en ander gebaseerd op de Talmoedische teksten zelf, waarbij hij en passant eveneens getuigt van kritiek op het Israëlische politiek-militaire optreden in de Palestijnse bezette gebieden.
    Deze evident-politieke opstelling is eveneens vermengd met een militant islamitisch fundamentalisme en dient dan ook als zodanig te worden gelezen cq geinterpreteerd.
    Nogmaals, zijn gedachtegoed is als zodanig een lichtelijk verward amalgama van verzet tegen de machtspositie van de VS en West-Europa in het algemeen, de politieke rol van Nederland in dezen in het bijzonder, gecombineerd met een militante fundamentalistische opstelling.
    Nogmaals, een en ander ressorteert als zodanig onder een weliswaar aan bepaalde politieke stromingen onwenselijke opvatting, maar is als zodanig gelegitimeerd onder het principe van de vrijheid van meningsuiting, zolang er althans geen sprake is van een beledigend, racistisch of anderszins strafbaar karakter

    Moord op van Gogh:

    Ik ga dan ook van het standpunt uit, dat zijn bovengenoemde stellingname weliswaar heeft bijgedragen tot zijn verdere radicalisering, maar in deze geen enkel verband hoeft te staan tot de gepleegde moord op van Gogh, die volgens de heer van Straelen en eveneens mij in de eerste plaats is ingegeven door de stelselmatige provocatieve cq beledigende taal van de heer
    van Gogh tav de Islam. Ik hou staande, dat radicalisering cq aanhang van een militant-islamitische stroming geen voorwaarde behoeft te zijn voor het plegen van dit alleszins verwerpelijke misdrijf.
    Eveneens kan een en ander het gevolg zijn van toenemende gevoelens van frustratie tav de straffeloze uiting van dergelijke opvattingen, gecombineerd met een gewelddadig karakter, geradicaliseerd of niet. Ik citeer bij dezen enkele door de heer van Gogh gemaakte opmerkingen, die moslims in het algemeen, die niet radicaal-islamitisch zijn, in ernstige
    mate gekwetst hebben:

    ”Allah is een varken”
    ”Ik veeg mijn billen af aan de Koran”

    Nadrukkelijk stel ik bij dezen, dat een en ander in geen enkel opzicht een bagatellisering is van de gepleegde gruwelijke moord, wel wil ik stellen, dat radicalisering als zodanig geen sluitend motief behoeft te zijn tot het overgaan tot een dergelijk strafbaar feit.

    Ontwrichting van de Nederlandse samenleving:

    Evenmin acht ik het bewezen, dat deze door Mohammed B gepleegde gruwelijke moord de intentie had tot ontwrichting van de samenleving als zodanig, omdat in dezen als slachtoffer was gekozen een publicist, die zich op uiterst provocerende taal uitliet tav een religieuze groepering in het algemeen en een islamitisch bevolkingsdeel in het bijzonder. Met alle respect voor zijn nagedachtenis bekleedde van Gogh niet een dergelijke belangrijke rol in de samenleving, dat van het beoogde effect van ontwrichting gesproken kan worden, hetgeen bij een politicus als P. Fortuyn, hoewel ook deze misdaad niet terroristisch van opzet was, veeleer het geval is geweest. Bovendien heeft Mohammed B duidelijk gesteld, hetgeen door van Straelen bevestigd, dat het motief tot de moord de belediging van van Gogh tav Allah
    gold.

    Betreffende het verwerpen van de westerse normen en waarden:

    Aansluitende de echte of vermeende ontwrichting van de Nederlandse samenleving door Mohammed B wil ik tenslotte nog nader ingaan op de door de heer van Straelen genoemde ”verwerping door Mohammed B van de westerse normen en waarden”. Enerzijds ben ik het zeker met de heer van Straelen eens, dat een en ander in ernstige mate een rol gespeeld heeft, wanneer hij stelt, dat het in Nederland erkende democratische staatsbestel in strijd is met de Islam.
    Anderszijds raad ik de heer van Straelen aan, een voorzichtig gebruik van dergelijke termen de bezigen. Weliswaar is er sprake van sterke Westerse verworvenheden zoals de in het
    kader van de Verlichting ontstane democratische staatsbestel en de democratische rechtsprincipes, anderzijds zijn uit de westerse politieke ontwikkelingen evenzeer verwerpelijke politiek-militaire structuren als het kolonialisme en slavernij en slavenhandel voortgekomen.
    Met name de kant van het kolonialisme heeft diepe sporen achtergelaten in een groot aantal Derde Wereldlanden, waaronder Marokko, het herkomstland van Mohammed B. Evenzeer richt hij in belangrijke mate zijn verzet tegen hedendaagse westerse machtsstructuren, uitmondend in het westerse politiek-militaire optreden in grote delen van de Derde Wereld, met name voor Marokkanen extra belangrijke gebieden als Irak en Palestina. Het is dan ook van belang, zijn verwerping van de ”westerse normen en waarden” in dat licht te bezien.
    Ook stel ik nadrukkelijk, dat zijn verwerping van de westerse normen en waarden m.i. losstaat van de door hem gepleegde gewelddaad tegen van Gogh

    C Het terroristisch motief tot het afdwingen van een politiek doel aan de
    Nederlandse Overheid:

    Overigens deel ik de door de heer van Straelen te berde gebrachte opvatting, dat in geen enkel opzicht bewezen is, dat Mohammed B de intentie gehad heeft de Nederlandse Overheid een politiek doel af te dwingen, hetgeen een van de hoofdcriteria is voor de definitie van het plegen van een terroristische aanslag.

    D De ondersteunende terroristische organisatie

    Zoals ik reeds in bovenstaande heb aangegeven, is een van de andere definitiecriteria bij het plegen van een terroristische aanslag een al dan niet op de achtergrond aanwezige organisatie, hetgeen met name veelal noodzakelijk is voor de nodige organisatie, voorbereiding en de veelal noodzakelijke logistieke middelen
    De heer van Straelen heeft echter in zijn requisitoir toegegeven, dat hij onvoldoende bewezen acht, dat er bij de moord op van Gogh medeplichtigen betrokken waren cq een organisatie hierbij betrokken was.Aangezien een en ander eveneens een duidelijke aanwijzing is voor het plegen van een terroristische aanslag, is wederom een van de belangrijkste definitiecriteria tot het plegen van een terroristische aanslag afgevallen.

    E De selectie van de heer van Straelen uit de definitie-criteria voor het plegen van een terroristische aanslag

    Ik heb reeds in bovenstaande bezwaar gemaakt tegen het feit, dat de heer van Straelen in zijn beschouwing tav het terroristische karakter van het gepleegde misdrijf niet alle belangrijke componenten van de definitie in het geheel heeft kunnen bevestigen, maar slechts deelaspecten, waardoor zijn betoog aan geloofwaardigheid in ernstige mate inboet

    Zo acht hij weliswaar bewezen, dat aan de belangrijke voorwaarden, namelijk het bewust aanjagen van angst aan de Nederlandse bevolking en het ontwrichten van de samenleving is voldaan, maar acht hij niet bewezen de andere zeer belangrijke voorwaarde, namelijk het opdringen aan de Nederlandse regering van een politiek doel. Evenmin heeft hij de andere voorwaarde, de ondersteuning door een organisatie cq het hebben van medeplichtigen, hard kunnen maken. Een en ander ondersteunt mijn theorie, dat er ook vanuit zijn standpunt, van
    het plegen van een moord met terroristisch motief, genendele sprake is.
    Voor het plegen van een terroristische moet namelijk voldaan worden aan alle hierboven vermelde belangrijke componenten, niet aan enkele aspecten hiervan. Naar mijn mening echter is zoals reeds vermeld, aan geen enkel hierbovenstaand criterium voldaan, waardoor er geen sprake is van een moord met een terroristisch motief.

    Een en ander betekent uiteraard genendele, dat de moord in dezen aan gruwelijkheid zou inboeten, integendeel. Echter acht ik het terroristisch oogmerk, dat een aanzienlijke
    strafverzwaring tot levenslang zou inhouden, genendele bewezen

    IV De demagogische componenten in het requisitoir van de heer van Straelen

    1 De bagatellisering door van Straelen van de impact van de uitlatingen van van Gogh

    2 Commentaar door de heer van Straelen tav de moord op van Gogh en de hierop volgende gebeurtenissen, met name met betrekking tot de beschoten omstanders en politiemensen

    3 Het oneigenlijke argument van de belemmering in de uitoefening van de functie van Hirsi Ali als kamerlid

    4 De bagatellisering door van S van de extreemrechtse aanslagen door de impliciete debetstelling door Mohammed B

    Bij dezen wil ik graag ingaan op enkele belangrijke aspecten uit het requisitoir van de heer van Straelen, die ik niet alleen inhoudelijk wil doorlichten, maar met name wil focussen op de m.i. onacceptabele denagogische kant, die de heer van Straelen hieraan verbindt

    Reeds in de inleiding heb ik gewezen op de ostentatieve bagatellisering van de heer van Straelen van de impact van de door van Gogh gebezigde provocerende cq beledigende uitlatingen op de moslims in het algemeen en de Marokkaanse bevolkingsgroep in het bijzonder. Nadrukkelijk heb ik erop gewezen, dat een en ander uiteraard onder geen enkele omstandigheid mag leiden tot een vergoelijking cq bagatellisering van een dergelijke moord, wel echter dient een en ander niet alleen als een verklaringsgrond voor het gepleegde gruwelijke misdrijf.
    Zoals bekend staat een en ander niet op zichzelf, maar moet eveneens afgemeten worden aan de sinds 11 september toegenomen anti-islamhetze, die zich in allerlei vormen, waaronder o.a. selectieve berichtgeving door de media en provocerende publicaties van o.a. van Gogh

    2 Commentaar door de heer van Straelen tav de moord op van Gogh en de hierop volgende gebeurtenissen, met name met betrekking tot de beschoten omstanders en politiemensen
    Ik wil nu vervolgen met een commentaar op de weergave door de heer van Straelen van de moord op van Gogh en de direct hierop volgende gebeurtenissen.
    Nadrukkelijk wil ik stellen, geenszins een volledige analyse te willen geven van zijn rapportage, maar slechts stil te willen staan door enkele door mij niet alleen opmerkelijk geconstateerde feitelijkheden, maar tevens het betreffende bedenkelijke demagogische karakter in dezen. Vooraf dient gesteld te worden, dat hij uiteraard als Openbare Aanklager de
    verantwoordelijkheid heeft, de schuld van verdachte vast te stellen met wettelijke en overtuigende bewijzen
    Betreffende een aantal aspecten in dit requisitoir heeft de heer van Straelen zich daarvan ook op uitstekende wijze gekweten, nog los van het feit, of ik zijn standpunt in dezen deel, hetgeen betreffende het verloop van de rechtszaak uiteraard secundair is. Het is mij echter tevens opgevallen, dat de heer van Straelen in een aantal opzichten zich in zijn requisitoir te buiten is gegaan aan demagogische argumentatie, zijn functie ten enenmale onwaardig. Met name gezien tegen het licht van het reeds door het proces en de moord zeer beladen klimaat is een en ander niet alleen betreurenswaardig te noemen, maar leidt het m.i. eveneens tot de omkering van de feitelijke realiteit.
    Uiteraard zal ik eveneens de aandacht vestigen op de m.i. zakelijke en overtuigende aspecten in dit verslag
    In de eerste plaats wil ik nadrukkelijk stellen, dat ik het standpunt van de heer van Straelen geheel deel, dat er in het geval van van Gogh sprake is van moord met voorbedachten rade, gelet op de diverse getuigenverklaringen, de meegedragen wapens en de meegenomen aan Hirsi Ali gerichte brief.
    Bij zijn standpunt echter, dat er tav de door Mohammed B tevens beschoten omstanders [2 in getal] en de betrokken politieagenten sprake zou zijn van poging tot moord met voorbedachten rade, maak ik de nodige kanttekeningen maak, waarop ik later in mijn betoog terug zal komen. Eveneens zal ik later terugkomen op de gehele tegen Mohammed B te berde
    gebrachte tenlastelegging.

    ”’Burgerslachtoffers”

    Een van de eerste aspecten van de demagogische aspecten in het betoog van de heer van Straelen acht ik de mi zeer overtrokken term ”burgerslachtoffers”. Een en ander wijst op de bij de schietpartij door Mohammed B eveneens geraakte omstanders, twee in het getal. Hoewel ik genendele de ernst van de gebeurtenissen in dezen wens te bagatelliseren en volkomen begrip heb voor de begrijpelijke post-traumatische gevoelens van de slachtoffers, verwijst de term
    burgerslachtoffers naar een oorlogssituatie cq terroristische aanslag, waarvan naar mijn mening geen sprake is.
    Eveneens suggereert een en ander, dat hij bewust het vuur heeft geopend op deze omstanders, hetgeen niet het geval is. Betreffende omstanders werden geraakt ten gevolge van zijn schietpartij op van Gogh, niet vanuit een onafhankelijke behoefte van verdachte, zijn wapens
    op hen te richten. In dezen ben ik dan ook van mening, dat deze woordkeuze afbreuk doet aan de aan een juridisch requisitoir te stellen eisen van zakelijkheid en soberheid,
    Gezien het klimaat rond de moord op van Gogh en de hierbij ontstane emoties acht ik bovendien het woordgebruik ”burgerslachtoffers” niet alleenonjuist, maar met name ook overtrokken en tendentieus.

    De door van Straelen aan de 11 politieagenten toegemeten ”traumatische
    slachtofferrol”

    Eveneens acht ik de door de heer van Straelen geschetste slachtofferrol van de 11 politieagenten betreffende de beschieting van hen door Mohammed B niet alleen in hoge mate demagogisch, maar daarenboven niet in overeenstemming met de realiteit van de logistieke functionaliteit van de politie in het algemeen en betreffende deze situatie in het bijzonder.

    Ik citeer de heer van Straelen:
    ”Ook alle politieagenten die door verdachte zijn beschoten en bedreigd hebben een vordering ingebracht: G. en G05 voor € 3500 en de overige negen politieagenten voor € 3000. Alle vorderingen zijn van immateriële aard en ze zijn overtuigend onderbouwd. Niet alleen door de ingediende schriftelijke slachtofferverklaringen, maar ook nog nader gemotiveerd door een medewerker slachtofferhulp van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Voor de politiemensen gaat het vooral om de enorme doodsangst die de verdachte bij hen heeft teweeggebracht. Ik vind alle vorderingen voor toewijzing vatbaar.”

    Mijn commentaar

    Tentoongespreide feiten:
    Na de moord op van Gogh heeft verdachte een aantal keren het vuur geopend op 11 politieagenten. Hierbij dient te worden aangetekend, dat deze agenten gezeten waren in
    respectievelijk een politieauto, een bus-wijkteam hondenbrigade en een surveillerende politieauto. In de eerste plaats blijkt hieruit duidelijk het strategische voordeel tav de verdachte [zittende in een auto, terwijl de verdachte zich op straat bevond]
    In de tweede plaats dient nadrukkelijk melding gemaakt te worden van het feit, dat de betreffende politieagenten, die daarenboven door het publiek attent gemaakt waren op de moord en derhalve reeds in de gelegenheid geweest waren tot het nemen van voorzorgsmaatregelen, allen een kogelvrij vest droegen, waardoor het voor hen te nemen risico grotendeels werd beperkt. Bovendien is uit de politierapporten komen vast te staan, dat Mohammed B laag richtte en dienaangaande eventuele vitale lichaamsdelen van de agenten in mindere mate risico liepen.
    Betreffende het slachtofferbeeld tav de door de politieagenten ondergane traumatische ervaringen het volgende: Hoewel het evident is, dat het beschoten worden, ook voor een politieman, aanleiding kan geven tot posttraumatische stress dient nadrukkelijk niet uit het oog te worden verloren, dat politieagenten in hun politieopleiding worden getraind op de meest extreme situaties. Bovendien zijn de meeste politiemensen in hun carrière meerdere malen geconfronteerd geweest met genoemde extreme cq gevaarlijke situaties en is een en ander, hoe onaangenaam veelal ook, onderdeel van hun werk. Eveneens zijn politiemensen doorgaans niet alleen zwaar bewapend, maar beschikken zij ook over de logistieke mogelijkheden, zo snel mogelijk een overmaat aan politieassistentie in te roepen. Duidelijk was daarenboven, dat de politieagenten tav verdachte verre in de meerderheid waren.
    Verder dient daarenboven vastgesteld te worden, dat het enige werkelijke slachtoffer in dezen Mohammed B zelf was, aangezien hij door politieschoten in zijn been zwaar gewond raakte door een ernstige gecompliceerde beenbreuk en derhalve werd overgebracht naar het penitentiaire ziekenhuis in Scheveningen.
    Hoewel een en ander helaas de resultante was van de door hem gestarte schietpartij, hoe onaangenaam voor hemzelf ook, is het derhalve, de training, ballistische en logistieke middelen van de politie in aanmerking genomen, oneigenlijk en demagogisch de politie als slachtoffer af te schilderen, hoe onaangenaam een schietpartij ook mag zijn.

    3 Hirsi Ali:

    Zoals bekend heeft Mohammed B een aan het VVD-Tweede Kamerlid Hirsi Ali gerichte brief achtergelaten, die m.i. een combinatie vormt van rationele argumentatie enerzijds, een verwarde combinatie van uit de Talmoed en de Koran geciteerde teksten anderzijds en zijn door de heer van Straelen genoemde ”afscheidsbrief”, die hoewel het midden houdend tussen een Sinterklaasgedicht [een door Prof Peters gedane uitspraak] en een schrijfsel van een wezenlijk bedreigend karakter.
    Het is echter evident, dat een dergelijke brief, bevestigd op het lichaam van van Gogh, van de kant van Mohammed B getuigt van een duidelijk bedreigend karakter. Ik verwerp echter het door de heer van Straelen geponeerde standpunt, dat Mohammed B beschuldigd zou kunnen worden van bedreiging met geweld tegen een lid van de tweede kamer, Hirsi Ali, waardoor zij verhinderd werd haar werk te doen, met terroristisch oogmerk. Evenzeer verwerp ik ten enenmale de door de heer van Straelen gedane suggestie, dat het leven van Hirsi Ali gevaar zou lopen.

    Motivatie:

    Men moet zich namelijk terdege realiseren, dat op het moment van de bekendmaking van de door Mohammed B geschreven brief aan mevrouw Hirsi Ali, verdachte reeds gearresteerd was en daarenboven door een schotwond in zijn been aan een ziekenhuisbed lag gekluisterd.
    Derhalve was het voor hem praktisch gezien onmogelijk, enige bedreigende actie richting Hirsi Ali te ondernemen.Wel kan ik mij voorstellen dat Hirsi Ali, met name gezien tegen het licht van de moord op van Gogh, tijdelijk de voorkeur gaf aan een onderduikadres.
    Uiteraard is dat betreurenswaardig, maar niet het gevolg van een daadwerkelijk door Mohammed B te plegen actie. In dezen ben ik dan ook van mening, dat Mohammed B genendele schuldig is aan het verhinderen van het werk van Hirsi Ali als Tweede Kamerlid.
    In de eerste plaats werd zij reeds goed beveiligd en kon deze beveiliging mogelijk verder worden uitgebreid. In de tweede plaats was het, zelfs vanuit haar onderduikadres voor haar
    mogelijk, tot in hoge mate adequaat te kunnen functioneren, gezien de hoogtechnologische communicatiemiddelen als elektronisch vergaderen, e-mailen, het versturen van rapporten per fax en e-mail, telefonisch vergaderen en SMS-en.
    De eeuw waaruit het wetsartikel tot de belemmering van een Tweede Kamerlid in functie afkomstig is [de negentiende eeuw] voorzag niet in dergelijke logistieke middelen, waardoor de afwezigheid in de Tweede Kamer inderdaad de activiteiten in ernstige mate bemoeilijkte.

    4 De bagatellisering door van S van de extreemrechtse aanslagen door de impliciete debetstelling door Mohammed B

    Een ernstig voorbeeld van demagogie en tevens getuigend van een elementair gebrek aan respect van de gedupeerden en slachtoffers vind ik de bagatellisering van de verantwoordelijkheid van extreemrechtse jongeren voor de sinds de op van Gogh dd 2-11 gepleegde moord gepleegde aanslagen op Kerken, moskeen en islamitische scholen.

    Ik citeer de heer van Straelen:
    ”De straf zal ook moeten meewerken aan het voorkomen van eigenrichting. In de eerste twee weken na de moord op Theo van Gogh is er in twaalf moskeeën brand gesticht, of zijn ze beklad, besmeurd of zijn vernielingen aangericht. Brandstichting vond plaats bij twee Islamitische en één katholieke school. Ook zijn er vernielingen aangericht bij vijf kerken en het Marokkaanse consulaat is besmeurd. Een dieptepunt in ons land. Een onaanvaardbare
    aantasting van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienstuitoefening. Natuurlijk is de verdachte hiervoor niet in zijn eentje verantwoordelijk. Met zijn terroristische aanslag heeft hij wel de aanzet hiertoe gegeven.”

    Mijn commentaar:

    In de eerste plaats is opvallend aan het betoog van de heer van Straelen, dat hij weliswaar, in een aantal gevallen niet gehinderd door het juiste gebruik van de terminologie ´´terrorisme´´ in zijn tenlastelegging de term te pas en te onpas gebruik maakt van de terminologie ´´terroristisch oogmerk´´ (zie bijvoorbeeld `´poging tot moord op omstanders met een
    terroristisch oogmerk´´ ´´poging tot moord op politiemensen met een terroristisch oogmerk`´ etc, etc), maar in het geval van bovengenoemde brandstichtingen in Kerken, moskeen en islamitische scholen, waarvan trouwens sprake is geweest van 174 in totaal in drie weken, volgende op de moord op van Gogh, geen gewag maakt van de term ´´terroristische
    aanslagen´´, terwijl hier wel degelijk aan de hoofdcriteria is voldaan:

    A Het aanjagen van angst aan de bevolking, zowel de Marokkaanse, andere allochtone cq autochtoon/Nederlandse bevolking
    B Het plegen van ,militaire aanvallen op burgers of burgerdoelen
    C Het nastreven van een bepaald politiek doel (namelijk verdergaande discriminatie en isolatie minderheden, in casu islamitische Marokkanen), dat eventueel aan de regering kan worden afgedwongen (het nemen van discriminerende cq uitsluitende maatregelen tegen met name islamitische Marokkanen)
    D Het ontwrichten van het democratische staatsbestel

    Verder acht ik het ronduit schokkend, dat de gedeeltelijke verantwoordelijkheid van deze aanslagen door van Straelen bij Mohammed B gelegd wordt.
    Niet alleen bagatelliseert hij hiermee de enige en hoofdverantwoordelijkheid voor deze aanslagen, die ligt bij de daders cq plegers, daarenboven verwijst hij op oneigenlijke en demagogische wijze naar een verdachte van een ander misdrijf, hiermee de verdachte willens en wetens impliciet criminaliserend.
    In extremis doorgetrokken is dan eveneens de Joodse jongeman Herzel Grynspan, die in 1938 een dodelijke aanslag pleegde op de Duitse diplomaat in Parijs, de heet von Rath, met als motief de deportatie van zijn ouders, verantwoordelijk voor de door de nazi/machthebbers geïnitieerde Kristallnacht, als represaille vanwege die aanslag. Uit dit voorbeeld bliijkt hopelijk de oneigenlijke redenering van de heer van Straelen in dezen.

    V De tenlastelegging jegens verdachte, te weten o.a. terroristische oogmerken betreffende de door Mohammed B verrichte daden, die geen betrekking hebben op de moord op van Gogh

    Op het m.i. ontbreken van een terroristisch oogmerk betr. de moord op van Gogh ben ik reeds uitgebreid ingegaan. Wel acht ik moord met voorbedachten rade bewezen. Ik laat echter nog eens in het kort de andere aspecten van de tenlastelegging tegen verdachte de revu passeren:

    2 poging tot moord met terroristisch oogmerk op een tweetal omstanders (dit zijn personen die door kogels van verdachte op de Linnaeusstraat zijn geraakt);
    3 poging tot moord met terroristisch oogmerk op politieagenten; -knip-

      /   Beantwoorden  / 
  2. Kees

    Mo’tje B, voor eeuwig hurkend op de gevangenis plee

      /   Beantwoorden  / 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.